Weerkaarten

terug

Drukgebieden
Lucht die in beweging komt noemen we wind, maar hoe komt deze lucht in beweging?

Omdat de aarde bolvormig is wordt deze sterker verwarmd boven de evenaar dan op de polen. De lucht boven de evenaar wordt verwarmd (lage luchtdruk) en stijgt op richting de Noordpool. Boven de Noordpool koelt de lucht af (hoge luchtdruk) waarna het vervolgens daalt en langs de aarde weer terug stroomt naar de evenaar. De plaats van de opgestegen warme lucht wordt dus ingenomen door koelere dalende lucht. Deze stroom van lucht voelen wij als wind. Windsnelheden zijn het laagste in de onderste 1000 meter van de atmosfeer, waar de wind wordt afgeremd door het aardoppervlak.

De noord zuid stroom van lucht wordt op verschillende manieren verstoord. Dit heeft o.a. te maken met de draaiing van de aarde. Als de lucht boven de Noordpool weer richting de evenaar stroomt dan draait de aarde natuurlijk gewoon door. Hierdoor maakt de lucht geen rechte lijn naar beneden, maar buigt op het noordelijk halfrond naar rechts. De kracht die dit veroorzaakt wordt corioliskracht genoemd en is het sterkst aan de polen en neemt af naarmate de evenaar dichterbij komt. Ook de ruwheid van het aardoppervlak zorgt ervoor dat winden zich niet in een rechte lijn kunnen verplaatsen. Vandaar ook dat de wind uit verschillende richtingen kan komen. Het effect van de draaiing van de aarde is dat op het noordelijk halfrond de wind rond een lagedrukgebied zich tegen de wijzers van de klok in verplaatst en rond een hogedrukgebied met de wijzers van de klok mee.

"Staat men op het noordelijk halfrond met de rug naar de wind toe, dan heeft men de laagste druk aan de linkerhand. Op het zuidelijk halfrond vindt men de laagste druk aan de rechterhand."

 

 

In een hogedrukgebied:

  • Is weinig bewolking.
  • Is weinig wind.
  • Is het zomers warm en 's winters koud.
  • Is de lucht droog.

In een lagedrukgebied:

  • Is altijd bewolking.
  • Is veel wind (behalve in de kern)
  • Is het zomers koel en 's winters zacht.
  • Is de lucht vochtig.

Verder zijn er warmte en koudefronten te zien. Dit zijn fronten met daarachter warme of koude lucht en zijn een onderdeel van lagedrukgebieden. Ook zijn er geoccludeerde fronten te zien, dit zijn fronten waarbij de warme lucht is ingehaald door de koude lucht. Bij deze fronten horen verschillende soorten weertypen:

Warmtefront:
Bij een warmtefront komt van oorsprong warme lucht op ons af. Omdat warme lucht lichter is dan koude lucht zal de warme lucht in eerste instantie in de hogere luchtlagen merkbaar zijn. Naarmate het warmtefront naderbij komt, wordt de warme lucht lager op lagere nivo's voelbaar. Op het moment dat aan de grond de warme lucht de waarnemer bereikt heeft is sprake van het daadwerkelijke warmtefront:

Op de weerkaart is een warmtefront getekend als een lijn met bolletjes:

De passage gaat ongemerkt. Het gaat gewoon regenen. De wind zal iets draaien en de temperatuur stijgt. Vooral in de winter is dit goed merkbaar. De vochtigheidsgraad wordt hoger en het zicht neemt af. De regen die valt is licht, maar hoe dichter bij de kern, des te regenachtiger het is. Totdat het koufront er is, zal lichte regen of motregen vallen uit de Nimbostratusbewolking.

Bijzonderheden:

  • Onweer op een warmtefront is uitzonderlijk, maar niet uitgesloten.
  • Een warmtefront geeft altijd gelijkmatige regen.

Koudefront:
Bij een koufront wordt de warme lucht met geweld verdreven door koude lucht. De zwaardere koude lucht schuift onder de warme lucht. Hierdoor stijgt de warme vochtige lucht vrij plotseling omhoog:

Het koufront wordt op weerkaarten aangegeven met dit symbool:

De passage gaat niet onopgemerkt. Het is moeilijk het koufront aan te zien komen. Het zicht is slecht en de hemel is bedekt met Nimbostratusbewolking. De enige herkenning is vaak het donker worden van de lucht. Naarmate de donkere lucht dichterbij komt, worden snel jagende wolkenflarden zichtbaar. Als die overtrekken gaat het flink regenen. Soms stortregenen. Dit duurt kort en afhankelijk van de treksnelheid van het front is het na 15 minuten weer droog. Dan klaart het op, breekt de zon door en draait de wind. De passage gaat regelmatig met windstoten gepaard.

Bijzonderheden:

  • Een snel trekkend koufront geeft vaak windstoten.
  • Een koufront gaat regelmatig met onweer samen.
  • Een koufront kan hagel produceren.

Occlusiefront:
Bij een occlusiefront heeft de koude lucht de warme lucht ingehaald doordat koufronten sneller gaan dan warmtefronten. Een occlusiefront vertoont dezelfde bewolking als een warmtefront, maar heeft vaak meer lage bewolking (stratus). Hij vindt vooral plaats dicht bij de depressiekern. Er kan een kleine hoeveelheid neerslag vallen en de wind krimpt en trekt iets aan.

Een occlusiefront wordt op weerkaarten aangegeven met dit symbool:

Op de kaart:

Wanneer we nu naar een willekeurige weerkaart kijken zien we de Hoge drukgebieden (H), Lage drukgebieden (L) en de fronten.

De punten van gelijke druk zijn met lijnen met elkaar verbonden, de "Isobaren".
Ze worden weergegeven met getallen in millibars (mb).
Hoe dichter de isobaren, bij elkaar liggen en hoe hoger de verschillen, hoe harder de wind.

Om een indruk te geven; voor Europese maatstaven ziet de windkracht bij een bepaalde isobarenafstand er ongeveer als volgt uit:

De windrichting maakt door verstoring van het aardoppervlak een hoek met de richting van de isobaren richting het lagedrukgebied.
De groene pijltjes geven de werkelijke windrichting aan:

Door nu goed te kijken waar de hoge en lagedrukgebieden liggen en wanneer de fronten overtrekken kan men een goed beeld van wat voor weer het gaat worden krijgen. De combinatie van of er wel of geen fronten overkomen en waar er hoge en lagedruk ligt, geeft al een goed beeld van het weer wat komen gaat.

Windkaart

Er zijn ook kaarten waarop alleen de wind wordt aangegeven. Het volgende kaartje is van windfinder.com:

Hierop is snel te zien waar het hoe hard waait en uit welke richting.
De richting en snelheid worden aangegeven met de "veertjes", de zg. wind-barbs:

De schuine streepjes geven de windkracht aan. Een kort streepje is 5 knopen en een lang streepje 10. Nu kan simpelweg gekeken worden naar het aantal streepjes volgens de turfmethode.
Het puntje wijst naar de richting waar de wind heen waait.

Verder is de kaart gekleurd en vertegenwoordigd elke kleur een bepaalde windsnelheid die terug te vinden is in de legenda ernaast.
Zo is in 1 oogopslag op deze kaart te zien dat het in het noorden van nederland steviger waait en de wind uit het westen komt.

NB:
Niet iedere windkaart ziet er precies hetzelfde uit maar het is wel altijd hetzelfde principe.
Vaak is een legenda bijgevoegd.

terug